gemeenschap

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·meen·schap
Woordherkomst en -opbouw
2 en 3 enkelvoud meervoud
naamwoord gemeenschap gemeenschappen
verkleinwoord gemeenschapje gemeenschapjes
1 en 4 enkelvoud meervoud
naamwoord gemeenschap -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gemeenschap v

  1. het met één of meer anderen deel hebben aan iets
    • Zij trouwden in gemeenschap van goederen. 
  2. samenleving.
    • In de VS zijn er vele plaatselijke gemeenschappen. 
  3. geheel van personen of zaken die tot elkaar in een bepaald opzicht in een geregelde betrekking staan
    • Onze buurman behoort tot de gemeenschap der gelovigen. 
  4. geslachtsgemeenschap.
    • In Nederland is het illegaal om gemeenschap te hebben met minderjarigen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie