galgenbrok

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gal·gen·brok
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord galgenbrok galgenbrokken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

galgenbrok v/m [1]

  1. (scheldwoord) persoon die het waard is om aan de galg te hangen; een waardeloos persoon
     ’Ben jij besuikerd!’, riep een vader altijd als zijn dochtertje iets ondeugends had gedaan. En besuikerd betekende gek. Radioprogramma De Taalstaat staat zaterdag geheel in het teken van dergelijke vergeetwoorden.........Scheldwoorden als galgenbrok en schobbejak. Of ja, nakketikker of niksnakker.”[2]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

66 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron MARIE-THÉRÈSE ROOSENDAAL “Ooft plukken in het deemster” (08 dec. 2016), De Telegraaf
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be