hufter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huf·ter
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘Bargoens scheldwoord: schoft’ voor het eerst aangetroffen in 1927 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord hufter hufters
verkleinwoord huftertje huftertjes

Zelfstandig naamwoord

hufter m

  1. (scheldwoord) (informeel) man die zich lomp, onbehouwen en/of aanstootgevend gedraagt
    • Met die hufter wil ik niets van doen hebben. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen