schoelje

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schoel·je
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schoelje schoeljes
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

schoelje m [2]

  1. een laaghartig persoon
    • Er was een explosie bij een zogeheten flow station, vermoedelijk teweeggebracht door schoelje, maar een woordvoerder ontkende dat er militairen in de buurt waren, laat staan dat er een gewapend treffen zou hebben plaatsgehad. [3] 
    • Het schoelje van Midden-Noord maakte het in november dermate bont dat ADO Den Haag morgen zonder publiek moet spelen. De KNVB moet toch wat. Of juist niet? Nee, misschien moet de voetbalbond juist helemaal niets – de club duwt zichzelf steeds verder het moeras in, net zo lang tot het ooit zo roemruchte Alles Door Oefening zichzelf reduceert tot een paar opborrelende gasbellen. [4] 
  2. (pejoratief) scheldwoord om aan te geven dat je iemand niet aardig vind
    • Creatief ruziemaken met 210 variaties (de letter s): schijtlijster, schooier, snoodaard, sappie, schrielhannes, smuigerd, smiecht, schobbejak, schlemiel, schelm, schollekop, snotaap, stoethaspel, schoelje, schavuit, snoodaard, sukkelaar, schobbejak, schobbedebonk, schorem, slampamper, sjacheraar, schorriemorrie, serpent, slampamper, snoever, smeerkanis, slapjanus, stuk verdriet, stuk ongeluk [5] 
  3. een arm persoon
Synoniemen
Vertalingen

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. de Standaard 27 MEI 2008
  4. NRC Auke Kok 16 maart 2007
  5. Volkskrant Bergsma 17 november 2016