flinkheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • flink·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord flinkheid flinkheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

flinkheid v [1]

  1. het moedig en doortastend zijn
    • Maar met haar geschreeuw tegen Van Aartsen zoekt Schutten haar concurrent juist op en probeert ze Partij van de Ouderen te overtroeven in rechtse flinkheid. Dit is niet alleen een gemiste kans, maar zo dreigt ook het gevaar dat de ouderenpartijen elkaar uit de gemeenteraad vechten. Met hun boosheid. [2] 
    • Aan hoeveel zaken zijn onze regeringen begonnen, die ze niet vol kunnen houden? En dan was dat nog direct voor de eigen burgers: kinderopvang, toeslagen, … Deze ongevraagde flinkheid zal duur blijken te zijn en misschien ook weer onhoudbaar. En we waren niet eens gevraagd …." [3] 
    • Veel van de klachten die bij de ombudsman binnenkwamen, zijn terug te voeren op onmogelijke opdrachten waarmee uitvoeringsdiensten zijn opgezadeld, stelt Van Dooren. De politiek legt vanuit het oogpunt van efficiency en flinkheid taken op aan uitvoeringsinstanties waarmee deze vervolgens niet uit de voeten kunnen. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.


Verwijzingen