braafheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • braaf·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord braafheid braafheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

braafheid v [1]

  1. het braaf, netjes en gehoorzaam zijn, vaak ook in de betekenis van te netjes zijn
    • „Je suis un vieux motherfucker” zingt hij op zijn nieuwe album Human Incognito, waarmee hij zich verzet tegen de braafheid en de harteloosheid in de rockmuziek van nu. Met zijn mengelmoes van Engels, Frans en een beetje Nederlands is hij een zeldzaam authentiek vertolker van de Vlaamse volksziel. [2] 
Synoniemen
Hyperoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Jan Vollaard 23 februari 2016
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be