guts

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Gutsen of holbeitels voor de houtbewerking.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • guts
enkelvoud meervoud
naamwoord guts gutsen
verkleinwoord gutsje gutsjes

Zelfstandig naamwoord

guts v/m

  1. (gereedschap) een gootvormige steekbeitel voor houtbewerking
    • De kunstenaar bewerkte het houten beeld met zijn guts. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
gutsen

guts

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gutsen
    • Ik guts. 
  2. gebiedende wijs van gutsen
    • Guts! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gutsen
    • Guts je? 

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders
52 % van de Vlamingen.

Meer informatie