fut

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fut
enkelvoud meervoud
naamwoord fut -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

fut v/m

  1. de benodigde energie en zin ergens voor
    • Hij heeft niet de fut om de afwas te doen. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.


Hongaars

Uitspraak
Woordafbreking
  • fut

Werkwoord

fut

  1. rennen