flikkeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • flik·ke·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
flikkeren
flikkerde
geflikkerd
zwak -d volledig

Werkwoord

flikkeren

  1. inergatief afwisselend meer en minder of helemaal geen licht geven of terugkaatsen
    • De lampjes blijven flikkeren. 
  2. inergatief, (informeel) vallen
    • Hij is van de trap geflikkerd. 
  3. overgankelijk, (informeel) gooien
    • Flikker die PC het raam uit. 
  4. (dysfemisme) geslachtsgemeenschap hebben, i.h.b. van homoseksuelen
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen