duvelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • du·ve·len
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van duvel met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
duvelen
duvelde
geduveld
zwak -d volledig

Werkwoord

duvelen

  1. onovergankelijk (informeel) last veroorzaken
  2. onovergankelijk (informeel) plotseling vallen
    • Hij viel in slaap op de bank en duvelde daarna op de grond 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders
81 % van de Vlamingen.