buiten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bui·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bijwoord van plaats’ voor het eerst aangetroffen in 1220 [1]
  • afkomstig van:
Middelnederlands: buten
Oudnederlands: būtan
  • met het voorvoegsel be- (2)
  • Verwant in Germaans:
Fries: bûten (Oudfries: būta)

Voorzetsel

buiten

  1. niet ingesloten in het genoemde
    • Hij woont buiten de stad. 
    • Wij eten vaak buiten in de tuin. 
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen
  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     buiten  
 persoonlijk     erbuiten  
aanwijz.   nabij     hierbuiten  
  veraf     daarbuiten  
  vragend/betrekk.     waarbuiten  


Bijwoord

buiten

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord:
1. buitensluiten: Hij sloot de kat buiten.
buitenhouden
  1.  Een van onze gedistingeerde gasten heeft mij ooit gezegd dat de monsters volgens hem niet waren bedoeld om vreemden buiten te houden, maar om de gasten te beletten de uitgang te bereiken. Het was jaren geleden dat hij dat zei, en hij is hier nog steeds. Zijn naam is Patelski. U zult hem ontmoeten.[2]
2. prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord:
Hij staat er al jaren buiten.
Iets van buiten leren: iets zo goed leren dat je het je herinnert
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord buiten buitens
verkleinwoord buitentje buitentjes

Zelfstandig naamwoord

buiten

  1. m platteland
  2. o buitenverblijf, landhuis, buitenplaats, landgoed
Verwante begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen