buiten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bui·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: buten
Oudnederlands: būtan
  • Verwant in Germaans:
Fries: bûten (Oudfries: būta)

Voorzetsel

buiten

  1. niet ingesloten in het genoemde
    Hij woont buiten de stad.
    Wij eten vaak buiten in de tuin.
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen
  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     buiten  
 persoonlijk     erbuiten  
aanwijz.   nabij     hierbuiten  
  veraf     daarbuiten  
  vragend/betrekk.     waarbuiten  


Bijwoord

buiten

1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord:
buitensluiten: Hij sloot de kat buiten.
2. prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord:
Hij staat er al jaren buiten.
Iets van buiten leren: iets zo goed leren dat je het je herinnert
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord buiten buitens
verkleinwoord buitentje buitentjes

Zelfstandig naamwoord

buiten

  1. m platteland
  2. o buitenverblijf, landhuis, buitenplaats, landgoed
Verwante begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie