eekhoorn

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search
Een Eurazische eekhoorn.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • eek·hoorn
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘knaagdier’ voor het eerst aangetroffen in 1287 [1]
  • (erfwoord): Naast eekhoren; volksetymologisch vervormd uit Middelnederlands eecoren, ecorn, ontwikkeld uit Oergermaans *aikwernan-, aanpassing aan oudere nom. *aikwur, gen. *īkuraz, wijzend op een geredupliceerde Indo-Europese wortel (nom.) *h₂éi-h₂ur, (gen.) *h₂i-h₂urós.[2]
enkelvoud meervoud
naamwoord eekhoorn eekhoorns
verkleinwoord eekhoorntje eekhoorntjes

Zelfstandig naamwoord

eekhoorn m

  1. (dierkunde), (knaagdieren) een klein knaagdier met lange pluimige staart dat vooral in bomen leeft
    • De eekhoorn is van veel kinderen het lievelingsdier. 
    • Voordat mijn vrouw kan genieten van de noten van onze notenboom, heeft de eekhoorn ze al gestolen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Chronologisch Woordenboek, Nicoline van der Sijs
  2. Guus Kroonen, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013, p. 10-11.