druppelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • drup·pe·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
druppelen
druppelde
gedruppeld
zwak -d volledig

Werkwoord

druppelen

  1. (ergatief) in druppels neervallen
    Er is hars uit dat stuk hout gedruppeld.
  2. (inergatief) druppels laten vallen
    Na die oogoperatie heb ik nog enige tijd gedruppeld, maar het was snel weer geheeld.
  3. (overgankelijk) in druppels laten neervallen
    Anna druppelde regelmatig vocht op de lamsbout.
Synoniemen