-el

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Huidig
bestand
80
Uitspraak
Woordafbreking
  • -el
Woordherkomst en -opbouw
  • [1] Verwant aan het Beierse -(e)l, het Alemannische -li en het Zuidopperfrankische -lein[1]
  • [1] van het Germaanse achtervoegsel *-il-; van het Proto-Germaanse achtervoegsel *-ila [2]

Achtervoegsel

-el

  1. (verouderd) een uitgang die oorspronkelijk afstamming aangaf en daarmee ook verkleining; de uitgang komt ook voor om degene die iets uitvoert of het middel waarmee dat gebeurt af te leiden
    Er zou kans zijn op ijzel.
    Onder de eik lagen veel eikels.
    Vader sloeg op de grote trom en zijn drie zoons elk hun eigen trommel.
    Zo'n lange slungel kan toch nooit een goede kompel zijn.
    Hij maakte de sleutel vast aan zijn gordel.
  2. (verouderd) een achtervoegsel dat direct na de stam en voor een eventuele uitgang wordt geplaatst om een frequentatief te vormen, dat herhaling en intensiteit uitdrukt[3][4]
    Hij hinkelde niet zo graag, maar deed toch maar mee.
Verwante begrippen
Verwijzingen
  1. Schönfeld, M. (ed. A. van Loey) Historische grammatica van het Nederlands (1970) 8e druk; N.V. W.T. Thieme & Cie in par. 185 (blz. 227);geraadpleegd 2014-05-18
  2. etymologiebank.nl
  3. e-ANS 12·2·1·4·2 : Het achtervoegsel -el geraadpleegd 2014-05-17
  4. Schönfeld, M. (ed. A. van Loey) Historische grammatica van het Nederlands (1970) 8e druk; N.V. W.T. Thieme & Cie in par. 191 (blz. 237);geraadpleegd 2014-05-17