doof

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • doof
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen doof dover doofst
verbogen dove dovere doofste
partitief doofs dovers -

Bijvoeglijk naamwoord

doof

  1. niet of minder goed tot horen in staat zijn
    • De dove man kon nog een prima leven leiden. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • zich doof houden
iets niet willen horen
  • horende doof zijn
niet luisteren
  • zich oostindisch doof houden
niet willen luisteren
  • zo doof als een kwartel
heel erg doof
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
doven

doof

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doven
    • Ik doof. 
  2. gebiedende wijs van doven
    • Doof! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doven
    • Doof je? 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl