dovig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·vig
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van doof met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen dovig doviger dovigst
verbogen dovige dovigere dovigste
partitief dovigs dovigers -

Bijvoeglijk naamwoord

dovig [1]

  1. een beetje slechthorend
    • Poplegende Sting mag dan wat dovig worden, van het hulpmiddel dat hij daar een tijdje voor droeg werd hij ook niet vrolijk. [2] 
    • Aznavour was vrij dovig en droeg een gehoorapparaatje. Dan zei hij ineens: ’Why are you shouting?’ [3] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
32 % van de Vlamingen.

Verwijzingen