bedienen

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·die·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bedienen
bediende
bediend
zwak -d volledig

Werkwoord

bedienen

  1. overgankelijk eten en of drinken brengen in een horecagelegenheid
    • De serveerster bediende de klanten in het restaurant. 
  2. het laten werken van machines
    • Hij bediende de slijpmachine op een heel vaardige manier. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Duits

stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bedienen
bediente
bedient
volledig
Uitspraak
Woordafbreking
  • be·die·nen

Werkwoord

bedienen

  1. wederkerend bedienen