diende
Uiterlijk
- dien·de
| vervoeging van |
|---|
| dienen |
diende
- enkelvoud verleden tijd van dienen
- Ik diende.
- Jij diende.
- Hij, zij, het diende.
- Ik diende.
- ▸ In de jaren tachtig van de vorige eeuw brak het inzicht door dat er algemene bestuursrechtspraak diende te komen en dat in beginsel iedere bestuurshandeling voorwerp van geschil voor een onafhankelijke rechter moest kunnen vormen.[1]
- ▸ Een vast ritueel waaraan Jeroen diende deel te nemen.[2]
- Het woord diende staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Helen Stout“De Nederlandse rechtsstaat” (2015), Amsterdam University Press
, ISBN 9789048528622 - ↑ “All-inclusive”
(2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht
, ISBN 90-229-9182-2