moeten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • moe·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: moeten
Oudnederlands: muotan
Germaans: *mōtanan
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: must, mote (Angelsaksisch: mōtan), Duits: müssen, (Oudhoogduits: muozan), Fries: mette (Oudfries: meta)
Noord: Zweeds: måste, Deens/Noors: måtte
Oost: Gotisch: gamotan
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
moeten
moest
gemoeten
onregelmatig volledig

Werkwoord

moeten

  1. (modaal werkwoord): gedwongen zijn
    Ik moet naar de wc.
    Hij moest nog drie jaar brommen.
Uitdrukkingen en gezegden
  • de woning uit moeten
uit de woning gezet worden
  • het moeten ontgelden
«Zo is het Auschwitz-monument in het Amsterdamse Wertheimpark zeker drie keer stukgeslagen, en ook een beeld in Almere moest het ontgelden
  • zou moeten
Vertalingen