deler

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·ler
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord deler delers
verkleinwoord delertje delertjes

Zelfstandig naamwoord

deler m [1]

  1. (wiskunde) getal waardoor men een ander getal (het deeltal) deelt, noemer in een breuk
  2. iemand die deelt
Verwante begrippen
Hyponiemen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal


Noors

Woordafbreking
  • de·ler

Werkwoord

deler

  1. tegenwoordige tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van dele

Werkwoord

deler

  1. gebiedende wijs van delere

Zelfstandig naamwoord

deler, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van del

Zelfstandig naamwoord

deler, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van dele


Nynorsk

Woordafbreking
  • de·ler

Werkwoord

deler

  1. tegenwoordige tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van dele