voordeurdeler

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·deur·de·ler
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord voordeurdeler voordeurdelers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

voordeurdeler m

  1. iemand die een bijstandsuitkering geniet en met een of meer personen samenwoont; belastingplichtige medebewoner
  2. iets of iemand die in één huis of pand is gehuisvest
    • Net voor de jaarwisseling zijn Huize Ruurlo en het koetshuis leeggehaald. Zo had de historische vereniging Old Reurle haar omvangrijke archief opgeslagen in het koetshuis. Old Reurle is inmiddels de nieuwe voordeurdeler van de Ruurlose vestiging van de Bibliotheek Oost-Achterhoek geworden.[1] 
    • Had welzijnsorganisatie Animo (tegenwoordig: Betula) begin 2006 nog grote twijfels over het oorspronkelijke bouwplan van ruim 4 miljoen euro voor het nieuwe kulturhus 't Spieker, tien maanden later tekende zij met de acht andere voordeurdelers een samenwerkingsverband.[2] 
    • Meer voordeurdelers dan gehuwden in VS. [3] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Tubantia 08-JANUARI-2013
  2. Tubantia 07-OKTOBER-2011
  3. NRC 16 oktober 2006