kiesdeler

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kies·de·ler
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kiesdeler kiesdelers
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

kiesdeler m [1]

  1. in een kiessysteem van evenredige vertegenwoordiging het aantal benodigde stemmen per te behalen zetel
Verwante begrippen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
61 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen