opdagen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·da·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opdagen
daagde op
opgedaagd
zwak -d volledig

Werkwoord

opdagen

  1. ergatief op de verwachte tijd en plaats verschijnen
    • Hij was ondanks het noodweer toch opgedaagd. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.