krieken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • krie·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘aanbreken van de dag’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1562 [1]

Zelfstandig naamwoord

krieken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kriek

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen