cursus

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cur·sus
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord cursus cursussen
verkleinwoord cursusje cursusjes

Zelfstandig naamwoord

cursus m

  1. (onderwijs) een reeks lessen die een afgesloten geheel vormen
    • Hij kreeg ook een cursus bij dat abonnement. 
  2. een leerjaar
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen