cours
Naar navigatie springen
Naar zoeken springen
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- cours
Zelfstandig naamwoord
cours mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord cour
Frans
Uitspraak
Woordafbreking
- cours
Werkwoord
vervoeging van |
---|
courir |
cours
- eerste en tweede persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van courir
- tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van courir
enkelvoud | meervoud | ||
---|---|---|---|
zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
cours | le cours | cours | les cours |
Zelfstandig naamwoord
cours m
- loop, verloop
- omloop
- (onderwijs) college [1], cursus, les
- (onderwijs) cursusboek
- (handel) koers
- (scheepvaart) vaart
- promenade
Zelfstandig naamwoord
cours v
- meervoud van het zelfstandig naamwoord cour
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 5
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Zelfstandignaamwoordsvorm in het Nederlands
- Woorden in het Frans
- Woorden in het Frans van lengte 5
- Woorden in het Frans met audioweergave
- Werkwoordsvorm in het Frans
- Zelfstandig naamwoord in het Frans
- Onderwijs in het Frans
- Handel in het Frans
- Scheepvaart in het Frans
- Zelfstandignaamwoordsvorm in het Frans