stoomcursus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stoom·cur·sus
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stoomcursus stoomcursussen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

stoomcursus m [1]

  1. versnelde, intensieve opleiding
    • Renée was geslaagd voor haar eindexamen gymnasium. Ze besloot niet te gaan studeren, maar te gaan werken. Ze voelde zich, als oudste van de drie kinderen, verantwoordelijk voor het wel en wee van het gezin. Ze werd onderwijzeres. Na een stoomcursus van vijf maanden slaagde ze voor het diploma. Ze ging lesgeven op een openbare school in de Jordaan in Amsterdam. [2] 
    • In Leiden blikt Charbonneau terug op zijn jaar in Boulder: 'Ik had nog totaal geen zicht op de gevolgen, omdat ik nog een broekie was. Geoff, Tim en de anderen wisten wél hoe belangrijk onze waarneming van de transit van HD 209458 b zou zijn. Het was een stoomcursus tot wetenschapper, ik had veel geluk om op dit brandpunt terecht te zijn gekomen.' [3] 
    • Hoeveel jongeren zijn bevriend met hun ouders op facebook? Koning Willem Alexander kreeg het antwoord vandaag een stoomcursus jongerencultuur, tijdens de viering van het vijftigjarig bestaan van Rutgers.[4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Boumans, Toni Een schitterend vergeten leven [2015] ISBN 978-94-6003815-0 pagina 50
  3. Ellerbroek, Lucas Planetenjagers [2014] ISBN 978-90-351-4140-7 pagina 202
  4. Tubantia Carla van der Wal 02-NOVEMBER-2017