crisis

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cri·sis
enkelvoud meervoud
naamwoord crisis crisissen, crises
verkleinwoord crisisje crisisjes

Zelfstandig naamwoord

crisis v

  1. een zware noodsituatie waarbij het functioneren van een stelsel ernstig verstoord raakt
    Om de crisis aan te pakken, werd er een spoedoverleg ingelast.
  2. (psychologie) (medisch) beslissend stadium in een ernstige ziekte
  3. (economie) periode van economische teruggang
    Sinds het begin van de crisis in oktober 2007 tot 2014 hebben bankiers en verzekeraars (degenen die die crisis veroorzaakten) in Londen 91 miljard pond (bijna 124 miljard euro) aan bonussen verdeeld. [1]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • economische crisis
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. www.nu.nl


Engels

Zelfstandig naamwoord

crisis

  1. crisis