combinatie

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

[2] de Nederlands- Vlaamsevlag
Uitspraak
Woordafbreking
  • com·bi·na·tie
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord combinatie combinaties
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

combinatie v[2]

  1. het verband tussen begrippen, zaken, etc
  2. het samenvoegen of verbinden van twee of meer afzonderlijke zaken of personen tot een eenheid of een geheel
    - Een combinatie van een sterke accijnsverhoging en voorlichting kan de maatschappij zowel financieel voordeel opleveren als het aantal rokers in Nederland laten dalen. [3]
    - Toch was er ook nog wat optimisme te vinden in de collecties. In het kanariegeel bij Hermès, bijvoorbeeld, en het roze bij het Japanse Sacai en de combinatie van oranje en roze bij het Antwerpse modehuis Haider Ackermann.[4]
  3. voertuig met aanhanger of ander gevolg
  4. (kleding) kledingstukken die bij elkaar passen
  1. (sport) samenspel waarbij de bal vlot rondgaat
    - Binnen vijf minuten kon Kucka van net buiten de zestien na een soepele Slowaakse combinatie uithalen. Hij schoot recht op doelman Neuer. Een vrije trap van sterspeler Hamsik ging via de muur over. [5]
  2. (sport) ruiter en springpaard samen
  3. (spel) reeks zetten in het schaak- of damspel die een speler achtereenvolgens doet om een doorbraak te forceren
Synoniemen
Hyponiemen


Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. NRC 9 juni 2016
  4. NRC Milou van Rossum 30 juni 2016
  5. NRC Joram Bolle 26 juni 2016

Meer informatie