combinatie

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • com·bi·na·tie
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord combinatie combinaties
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

combinatie v

  1. het verband tussen begrippen, zaken, etc
  2. het samenvoegen of verbinden van twee of meer afzonderlijke zaken of personen tot een eenheid of een geheel
  3. voertuig met aanhanger of ander gevolg
  4. (kleding) kledingstukken die bij elkaar passen
  5. (sport) samenspel waarbij de bal vlot rondgaat
  6. (sport) ruiter en springpaard samen
  7. (spel) reeks zetten in het schaak- of damspel die een speler achtereenvolgens doet om een doorbraak te forceren
    combinatie bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl