brokken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • brok·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
brokken
brokte
gebrokt
zwak -t volledig

Werkwoord

brokken

  1. (voeding) vast voedsel in brokken verdelen om het aan vloeibaar voedsel toe te voegen
    • Zij brokt een beschuitje in haar soep. 
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

brokken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord brok

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.