appartement

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ap·par·te·ment
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘wooneenheid’ voor het eerst aangetroffen in 1687 [1]
  • uit het Frans [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord appartement appartementen
verkleinwoord appartementje appartementjes

Zelfstandig naamwoord

appartement o

  1. een afzonderlijke woning in een groter gebouw
    • Al onze studenten hebben beschikking over een appartement. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen