inbox

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·box
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord inbox inboxen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

inbox m

  1. postvak-in bij een e-mailprogramma
    • Mijn inbox was na een rigoreuze schoonmaak actie weer helemaal leeg. 
    • Mijn inbox was helemaal vol met spam. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.