Naar inhoud springen

bezorgen

Uit WikiWoordenboek
  • be·zor·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bezorgen
bezorgde
bezorgd
zwak -d volledig

bezorgen

  1. ditransitief iemand iets ~: bij iemand aan huis afleveren
    ▸ Zij beloofde om mijn oudoom en mijn moeders ouders aan de Oost Kinderdijk het bericht te bezorgen dat wij daar 's middags door tante Anna zouden worden gebracht.[1]
    ▸ Ze zal al oma's brieven bezorgen en dat zal een groots avontuur en een wonderlijk sprookje worden, net zoals oma heeft gepland.[2]
    • Hij kreeg een groot pak bezorgd. 
  2. overgankelijk bij iemand veroorzaken
    • Je bezorgt me hartkloppingen met dat lawaai. 
    ▸ De schade en het verdriet die ze daarmee aan derden bezorgde waren compleet ondergeschikt.[3]
  3. overgankelijk goederen op een bepaalde plaats brengen, bestellen
    • Ik bezorg iedere week de boodschappen bij de mensen thuis. 
  4. overgankelijk verschaffen
    • Ik kan je alles bezorgen wat je nodig hebt. 
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]
  1. ↑
    Teuntje de Haan
    “Een muur van water” (2018), Em. Querido's Uitgeverij op Wikipedia, ISBN 9789021409375
  2. ↑
    Frederik Backman
    “Oma heeft me gestuurd om te zeggen dat het haar spijt” (2013), Volt, ISBN 9789021455808
  3. ↑ “All-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht op Wikipedia, ISBN 90-229-9182-2
  4. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be