affirm

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Engels

Uitspraak
vervoeging
onbepaalde wijs to affirm
he/she/it affirms
verleden tijd affirmed
voltooid
deelwoord
affirmed
onvoltooid
deelwoord
affirming
gebiedende wijs affirm

Werkwoord

affirm

  1. bevestigen, affirmeren, verzekeren
    «She affirmed that she would go when I asked her.»
    Ze bevestigde dat ze zou gaan als ik haar dit zou vragen.