betichten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·tich·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
betichten
betichtte
beticht
zwak -t volledig

Werkwoord

betichten

  1. overgankelijk iemand op valse gronden beschuldigen
    • Iemand betichten van oplichting. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

betichten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord betichte

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen