bezichtigen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zich·ti·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van zicht met het voorvoegsel be- en met het achtervoegsel -en [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bezichtigen
bezichtigde
bezichtigd
zwak -d volledig

Werkwoord

bezichtigen

  1. overgankelijk naar een object kijken, bekijken, observeren
    • De buren kwamen ons huis bezichtigen nadat we het opgeknapt hadden. 
    • De toeristen bezichtigden de oude kerk. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen