belasteren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·las·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
belasteren
belasterde
belasterd
zwak -d volledig

Werkwoord

belasteren

  1. overgankelijk iemands goede naam geweld aandoen met onware aantijgingen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.