betichte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·tich·te
enkelvoud meervoud
naamwoord betichte betichten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

betichte v / m

  1. (juridisch) beschuldigde
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
betichten

betichte

  1. aanvoegende wijs van betichten

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be