beslist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·slist
Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van beslissen: de stam met de uitgang -t, zonder ge- vanwege voorvoegsel

Werkwoord

vervoeging van
beslissen

beslist

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beslissen
    • Jij beslist. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beslissen
    • Hij beslist. 
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van beslissen
    • Beslist! 
vervoeging van: beslissen…
verbogen vorm: besliste

beslist

  1. voltooid deelwoord van beslissen
     Na verloop van tijd wist de tweeling dat papa en mama altijd eerst samen overlegden voordat er ergens over werd beslist.[1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen beslist beslister (beslistst) *
verbogen besliste beslistere (beslistste) *
partitief beslists beslisters -

Bijvoeglijk naamwoord

beslist

  1. niet onderhevig aan aarzeling of twijfel
    • Zijn besliste optreden maakte grote indruk. 
Opmerkingen
  • Omdat "-stst" moeilijk is uit te spreken en te verstaan kan voor de overtreffende trap beter de omschrijving "meest beslist(e)" worden gebruikt.[2][3]
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Bijwoord

beslist

  1. met zekerheid
    • Dat is beslist niet goed! 
     Maar één ding wilde Pietje beslist niet: slapen in een groot bed met witte lakens.[4]
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen