absoluut

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ab·so·luut
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen absoluut absoluter absoluutst
verbogen absolute absolutere absoluutste
partitief absoluuts absoluters -
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘volstrekt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1553 [1]

Bijvoeglijk naamwoord

absoluut

  1. niet beschouwd in betrekking tot iets soortgelijks
    • De absolute bevolking was laag. 
  2. volledig, volkomen
    • De aanwezige alcohol was absoluut helemaal verdampt. 
  3. beslist, zeker
    • Het was de uitkomst van een zenuwslopende stemming waarbij Laurence, de absolute topfavoriet van de bookmakers, bij de jury enigszins teleurstellend als derde eindigde met 231 punten. Zweden won bij de vakjury’s voor het verrassende Noord-Macedonië. [2] 
    • Ik vind spruitjes absoluut niet lekker. 
  4. geheel onafhankelijk en zonder binding met iets of iemand anders
    • In dat land is een absolute koning aan de macht. 
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen