absoluut

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ab·so·luut
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen absoluut absoluter absoluutst
verbogen absolute absolutere absoluutste

Bijvoeglijk naamwoord

absoluut

  1. niet beschouwd in betrekking tot iets soortgelijks
    De absolute bevolking was laag.
  2. volledig, volkomen
    De aanwezige alcohol was absoluut.
  3. beslist, zeker
    Er is absoluut sprake van een noodsituatie.
  4. geheel onafhankelijk en zonder binding met iets of iemand anders
    In dat land is een absolute koning aan de macht.
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen