afdoend

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • af·doend
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen afdoend afdoender afdoendst
verbogen afdoende afdoendere afdoendste
partitief afdoends afdoenders -

Bijvoeglijk naamwoord

afdóénd

  1. toereikend om het probleem op te lossen
    • Er is geen afdoend middel tegen het verschijnsel. 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
afdoen

áfdoend

  1. onvoltooid deelwoord van afdoen
    • Zijn hoed áfdoend liep hij de kerk binnen. 

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.