avis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • avis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord avis -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

avis o

  1. (verouderd) mening, advies
    • Asperen ‘conformeerde zig met het avis van den Heere van Brederode.’ [2]
  2. (verouderd) overleg, beraad
  3. (verouderd) bericht, boodschap, leus
    • Op het avis, dat alle directie-, bureau- en regiemededeelingen en opdrachten, als ook straffen, bekend maakt, staat: „Eereavond Captain Walker"; tevens een bevel aan het personeel om niet allen tijdens dit nieuwe nummer in de barrière te gaan staan. [3]
Schrijfwijzen

Zelfstandig naamwoord

avis m

  1. letterlijk: vogel (alleen in onderstaande uitdrukking)
    • Low heeft zich, kortom, op een vruchtbare manier ontwikkeld, zonder dat The Great Destroyer nu meteen een rara avis in de discografie is geworden. [4]
Uitdrukkingen en gezegden
  • rara avis
witte raaf; zeldzaamheid; hoge uitzondering
Opmerkingen
  • Het is niet correct om 'rara avis' met vreemde vogel te vertalen, omdat het eerste begrip vooral zeldzaamheid benadrukt met een eerder positieve ondertoon, terwijl het tweede begrip alleen op personen duidt die afwijkend zijn met een eerder negatieve ondertoon.

Gangbaarheid

27 % van de Nederlanders;
40 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
Woordafbreking
  • avis
Woordherkomst en -opbouw
  • van Oudfrans avis, verkorting van de frase 'ce m'est a vis' "dat is mijn kijk erop"
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  avis     l'avis     avis     les avis  

Zelfstandig naamwoord

avis m

  1. mening
  2. advies
  3. bericht
Overerving en ontlening


Latijn

Zelfstandig naamwoord

avis v

  1. (dierkunde) vogel
    «Avis in caelō volat.»
    De vogel vliegt in de lucht.
  2. (figuurlijk) voorteken
Uitdrukkingen en gezegden
  • avis noctis
    • uil
  • avibus velari
    • met klederen van vogelveren
Verbuiging


Litouws

Zelfstandig naamwoord

avis v

  1. (dierkunde) schaap