afleiden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·lei·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afleiden


leidde af


afgeleid


zwak -d volledig

Werkwoord

afleiden

  1. (overgankelijk) de aandacht opvragen zodat die niet aan iets anders gegeven kan worden
    De zoon moest zijn vader afleiden, zodat de dochter ongemerkt naar buiten kon gaan.
  2. ~ uit: begrijpen, concluderen
    Ik kon uit haar woorden wel afleiden dat ze het leuk had gehad.
Afgeleide begrippen
Vertalingen