afleiden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·lei·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afleiden
leidde af
afgeleid
zwak -d volledig

Werkwoord

afleiden

  1. overgankelijk de aandacht opvragen zodat die niet aan iets anders gegeven kan worden
    • De zoon moest zijn vader afleiden, zodat de dochter ongemerkt naar buiten kon gaan. 
  2. ~ uit: begrijpen, concluderen
    • Ik kon uit haar woorden wel afleiden dat ze het leuk had gehad. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.