aar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een aar van gerst

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aar
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bovenste deel van de halm van graangewassen’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • [2] [3] [4]
enkelvoud meervoud
naamwoord aar aren
verkleinwoord aartje aartjes

Zelfstandig naamwoord

aar v/m

  1. bloeiwijze van granen
  2. bovenste deel van de halm van gras- of graangewassen
Gelijkklinkende woorden
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
aren

aar

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aren
    • Ik aar. 
  2. gebiedende wijs van aren
    • Aar! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aren
    • Aar je? 

Verwijzingen


Noors

Zelfstandig naamwoord

aar

  1. verouderde spelling of vorm van år van vóór 1917
(verouderd) onbepaalde vorm nominatief enkelvoud van aar, o


Nynorsk

Zelfstandig naamwoord

aar

  1. verouderde spelling of vorm van år van vóór 1917
(verouderd) onbepaalde vorm nominatief enkelvoud van aar, o


Wolof

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

aar

  1. bescherming.