aanwezigheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·we·zig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanwezigheid aanwezigheden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

aanwezigheid v

  1. het aanwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be