groeten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • groe·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
groeten
groette
gegroet
zwak -t volledig

Werkwoord

groeten

  1. overgankelijk een wens tot iemand of iets richten of met een gebaar beleefdheid tonen
    • Hij groette mij direct toen ik zijn huis binnenkwam. 

Zelfstandig naamwoord

groeten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord groet
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie