vlak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vlak
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen vlak vlakker vlakst
verbogen vlakke vlakkere vlakste

Bijvoeglijk naamwoord

vlak

  1. zonder bergen of dalen
    Dat was een vlakke weg.
Verwante begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord vlak vlakken
verkleinwoord vlakje vlakjes

Zelfstandig naamwoord

vlak o

  1. (wiskunde) een verzameling punten die twee dimensies vult
    Hij kon enkel grote vlakken inkleuren.
  2. zonder hoogte- en dieptepunten
Verwante begrippen


Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Bijwoord

vlak

  1. op vlakke wijze
    Hij had het glas niet vlak neergezet en het viel daardoor om.
  2. versterkend: in de onmiddellijke omgeving
    Het huis staat vlak naast een winkel en vlak bij een park.
  3. helemaal
    Mensen denken verschillend over dit plan, maar ik ben er vlak voor.
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
vlakken

vlak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vlakken
    Ik vlak.
  2. gebiedende wijs van vlakken
    Vlak!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vlakken
    Vlak je?


Meer informatie


Bosnisch

Zelfstandig naamwoord

vlak m

  1. (verkeer) trein


Kroatisch

Zelfstandig naamwoord

vlak m

  1. (verkeer) trein


Servisch

Zelfstandig naamwoord

vlak m

  1. (verkeer) trein
Schrijfwijzen


Servo-Kroatisch

Zelfstandig naamwoord

vlak m

  1. (verkeer) trein


Sloveens

Zelfstandig naamwoord

vlak m

  1. (verkeer) trein


Slowaaks

Zelfstandig naamwoord

vlak m

  1. (verkeer) trein


Tsjechisch

Zelfstandig naamwoord

vlak m

  1. (verkeer) trein