vlak

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vlak
enkelvoud meervoud
naamwoord vlak vlakken
verkleinwoord vlakje vlakjes

Zelfstandig naamwoord

vlak o

  1. (meetkunde) een verzameling punten die twee dimensies vult.
    Hij kon enkel grote vlakken inkleuren.

Bijvoeglijk naamwoord

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen vlak vlakker vlakst
verbogen vlakke vlakkere vlakste

vlak

  1. zonder bergen of dalen.
    Dat was een vlakke weg.


Bosnisch

Zelfstandig naamwoord

vlak m

  1. trein


Kroatisch

Zelfstandig naamwoord

vlak m

  1. trein


Servisch

Zelfstandig naamwoord

vlak m

  1. trein
Schrijfwijzen


Servokroatisch

Zelfstandig naamwoord

vlak m

  1. trein


Sloveens

Zelfstandig naamwoord

vlak m

  1. trein


Slowaaks

Zelfstandig naamwoord

vlak m

  1. trein


Tsjechisch

Zelfstandig naamwoord

vlak m

  1. trein
Persoonlijke instellingen