effen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Woordafbreking
  • ef·fen

Werkwoord

vervoeging van
effenen

effen

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van effenen
    Ik effen.
  2. gebiedende wijs van effenen
    Effen!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van effenen
    Effen je?
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen