trein
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- trein
Woordherkomst en -opbouw
- Ontleend aan het Franse train, dat uiteindelijk teruggaat op het Latijnse werkwoord trahere ("trekken").
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | trein | treinen |
| verkleinwoord | treintje | treintjes |
Zelfstandig naamwoord
trein m
- (verkeer) een rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt
- Er reizen dagelijks veel mensen met de trein.
Afgeleide begrippen
- trein-tram-busdag, treinabonnement, treinbeambte, treinbesturing, treinbestuurder, treinbeïnvloeding, treinbotsing, treinchef, treinconducteur, treincoupé, treindienst, treindienstleider, treinenbouwer, treinenloop, treinkaartje, treinkaping, treinmaatschappij, treinmachinist, treinmaterieel, treinongeluk, treinongeval, treinpassagier, treinpersoneel, treinraampje, treinrail, treinramp, treinreis, treinreiziger, treinretour, treinrit, treinroof, treinrover, treinsmid, treinspoor, treinstaking, treinstation, treinstel, treinstoring, treinstudent, treinsurfen, treintarief, treintaxi, treinticket, treintjesgek, treintraject, treintransport, treintunnel, treinverbinding, treinverkeer, treinvervoer, treinwachter, treinwagon, treinziek, gedachtetrein
Verwante begrippen
Spreekwoorden
- Het loopt als een trein.
- Het loopt erg goed.
Vertalingen
1. een rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Afrikaans
Zelfstandig naamwoord
trein
Papiamento
Woordherkomst en -opbouw
- Van het Nederlandse trein.
| enkelvoud of impliciet meervoud |
expliciet meervoud |
|---|---|
| trein | treinnan |
Zelfstandig naamwoord
trein