toon
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: Bestand bestaat nog niet. Aanmaken?
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ton/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ton/
Woordafbreking
- toon
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | toon | tonen |
| verkleinwoord | toontje | toontjes |
Zelfstandig naamwoord
toon m
- (muziek), (natuurkunde) een geluid met een bepaalde herkenbare hoogte, een trilling met een frequentie
- Hij sloeg op de bel en deze weergalmde op heldere toon.
- intonatie in de gesproken taal, manier van spreken
- Een sarcastische toon.
- je toon bevalt me niet
- sfeer, impliciete boodschap van teksten
- de toon was luchtig en soms vrolijk
- het karakteristieke geluid van een stem of instrument
- dit instrument heeft een warme toon.
- kleurschakering door toevoeging van wit of zwart b.v. halftoon
- klemtoon, accent
Gelijkklinkende woorden
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- de toon was gezet
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| tonen |
toon
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tonen
- Ik toon.
- gebiedende wijs van tonen
- Toon!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tonen
- Toon je?